Wist u, dat reguliere medicijnen vaak met bijwerkingen uw klachten onderdrukken, doch u niet zullen genezen omdat b.v. 98 % van de reguliere medicijnen in Duitland geen bewezen heelwerking hebben.
Hou er rekening mee dat polifarmacie (te veel medicijnen) ook u kan treffen omdat dit de vierde doodsoorzaak is geworden door de behandelingen van reguliere geneeskunde.
Wist u, dat geen bijwerkingen bekend zijn en niemand overleden is aan het gebruik van deze natuurlijke cel-vitaalstoffen van dr. Rath.
Hoewel deze cel-vitaalstoffen uw leven kunnen redden is het bij wet verboden u hier de namen te schrijven van de te gebruiken producten en doseringen, omdat ik geen arts ben.
U kunt zonder enige verplichtingen en zonder kosten meer informatie aanvragen bij de fa. Rath Health Programs B.V. te Heerlen. Tel. 04570-111112
U kunt dit consulentenwerk steunen door ons ID nr. 397273031 hierbij te noemen, bij voorbaat dank.
Wij wensen u hierbij een betere gezondheid toe.
Diabetes mellitus, in de volksmond beter bekend als suikerziekte, is een stofwisselingsziekte . Het lichaam kan bij deze aandoening de glucosegehaltes (suikergehaltes) in het bloed niet of slecht onder controle houden. Dit is een gevolg van een tekort aan het hormoon insuline of een afwijkende reactie van cellen op insuline.
Glucose
In de spijsvertering worden alle voedingsstoffen uit onze voeding afgebroken, dus ook de koolhydraten. „Koolhydraten“ is een verzamelnaam voor alle suikers en zetmeel in het voedsel. In de darmen worden de koolhydraten uit de maaltijd afgebroken tot kleine deeltjes: het wordt omgezet in glucose (suiker). de glucose komt via de darmwand in het bloed. We spreken dan van bloedglucose, of wel bloedsuiker. Het bloed transporteert de glucose vervolgens naar de lichaamscellen, waar het nodig is als brandstof. De glucose kan echter niet zomaar in alle cellen worden opgenomen. Hiervoor is het hormoon insuline nodig.
Insuline
Insuline is een belangrijk hormoon dat wordt geproduceerd door de alvleesklier. De hoeveelheid insuline die de alvleesklier afgeeft aan het bloed, hangt af van de hoeveelheid glucose die er op dat moment in het bloed zit.
Wanneer de bloedglucosewaarde zijn verhoogd, bijvoorbeeld na een maaltijd, dan geeft de alvleesklier insuline af aan de bloedbaan. Insuline werkt als een soort sleutel. Het kan de lichaamscel openen, waardoor glucose vanuit het bloed de cel in kan. De glucose wordt op die manier in de lichaamscellen opgenomen en levert daar de benodigde brandstof. De belangrijkste taak van insuline is dus het verlagen van de bloedglucosegehaltes. Het zorgt ervoor dat glucose vanuit het bloed in de verschillende organen in ons lichaam komt.
Glucose is altijd wel in het bloed aanwezig, omdat we de hele dag door energie nodig hebben. De glucosespiegel schommelt nogal eens. Normaal gesproken schommelt de hoeveelheid glucose in het bloed tussen de 4 en 8 mmol/liter. Bij diabetici is dit echter verstoord en is de bloedglucosespiegel veel hoger dan normaal.
Diabetes Mellitus
Men spreekt van diabetes mellitus als het bloedglucosegehalte hoger is dan 11 mmol/l op willekeurige momenten bij herhaling gemeten. De nieren kunnen glucose binnen het lichaam houden tot een bloedconcentratie van 10 mmol/l. Als de bloedglucosespiegel lange tijd veel te hoog blijft (boven de 10 mmol/l) dan scheidt het lichaam de glucose uit via de nieren. De glucose komt dan in de urine terecht en wordt uitgeplast, vandaar dat de urine zoet wordt. Het lichaam kan deze zoete urine alleen met heel veel vocht uitscheiden. Als reactie hierop krijgt men veel dorst en dat verklaart waarom onbehandelde diabetici zeer veel plassen en drinken. Dit zijn enkele typische kenmerken van diabetes mellitus.
De glucose die het lichaam op deze wijze verliest wordt dus niet gebruikt. De cellen krijgen op die manier dus ook geen brandstof aangeleverd. Hierdoor ontstaat een tekort aan energie en dat maakt een onbehandelde diabeet zo moe.
We onderscheiden twee vormen van diabetes mellitus:
-de insuline-afhankelijke vorm: type 1 en -de insuline-onafhankelijke vorm: type 2.
Daarnaast kunnen nog andere , minder frequent voorkomende vormen van diabetes mellius optreden. Deze aandoeningen zijn meestal tijdelijk van aard, zoals zwangerschapdiabetes of stress-geïnduceerde diabetes.
Diabetes mellitus type 1 wordt gekenmerkt door een absoluut tekort aan insuline. Dat betekent dat de alvleesklier helemaal géén insuline produceert. Patiënten zijn dan ook afhankelijk van toevoer van insuline van buiten het lichaam. Met andere woorden, men moet insuline spuiten. Auto-immuniteit en erfelijkheid kunnen oorzaken van deze vorm van diabetes mellitus zijn.
Bij diabetes mellitus type 2 is er sprake van een relatief tekort aan insuline. Er vindt wel produktie plaats van dit hormoon, maar meestal is deze produktie niet voldoende. Het kan ook zijn dat de lichaamscellen minder gevoelig of ongevoelig zijn geworden voor insuline, waardoor de sleutelfunctie van insuline is verminderd. We spreken dan van insuline, waardoor de sleutelfunctie van insuline is verminderd. We spreken dan van insuline-resistentie.
Belangrijke factoren voor het onstaan van dit type suikerziekte zijn erfelijkheid, overgewicht, toename van de leeftijd en stress.
Gevolgen korte termijn
De hoeveelheid bloedglucose schommelt bij diabeten tussen de 4 en 10 mmol/l. Er is dan een evenwicht tussen de hoeveelheid bloedglucose en de hoeveelheid insuline. Indien dit evenwicht wordt verstoord, als de diabeet ,ontregeld' is, kan het bloedglucosegehalte teveel dalen of juist te hoog stijgen. Wanneer het bloedglucosegehalte teveel daalt, spreken we van een hypo. Waarschuwingssignalen van het lichaam hierbij kunnen zweten, beven, duizeligheid, slecht zien, hoofdpijn, hongergevoel of prikkelbaarheid zijn. Als het tegenovergestelde aan de hand is, dus als het bloedglucosegehalte teveel stijgt, spreken we van een hyper. De meeste opvallende verschijnselen zijn dan: moeheid, slaperigheid, veel plassen, dorst hebben en dus veel drinken.
Gevolgen lange termijn
Door hoge bloedglucosegehaltes wordt het bloed dikker en kan daardoor minder goed stromen. Bovendien kunnen er veranderingen van de bloedvatwanden optreden, welke het gevolg zijn van vervroegde aderverkalking.
Langdurig verhoogde bloedglucose hebben een schadelijk effect en bevorderen de ontwikkeling van aderverkalking. Op den duur kan beschadiging van diverse organen optreden. Verstoppingen en vernauwingen kunnen in het hele lichaam plaatsvinden. Hierdoor kan bijvoorbeeld een hartinfarct of een beroerte ontstaan, maar door verstopping in de nierslagaders kunnen ook diverse nierziekten ontstaan. Slechtziendheid of zelfs blindheid kan optreden door verstopping van de oogslagaders. Het afsterven van weefsel in de tenen en voeten kan eveneens ontstaan door verstoppingen in de kleine slagaders van de tenen en voeten. Een mogelijk noodzakelijk gevolg hiervan kan amputatie van tenen en voeten zijn.
Behandeling
De algemene doelstelling van de behandeling van diabetes mellitus is een goede regulatie van de bloedglucosespiegel, met normale bloedglucosewaarden tussen de 4 en de 10 mmol/l.
Voor type 1 diabeten bestaat er als behandeling maar één oplossing, namelijk het toedienen van insuline door middel van injecties. Als deze aandoening eenmaal is ontstaan, dan kunnen de cellen van de alvleesklier zich niet meer herstellen.
Een type 2 diabeet kan wel insuline aanmaken. Bovendien gaat deze vorm vaak gepaard met overgewicht. In dat geval zal eerst een energiebeperkt dieet worden besproken. Door af te vallen kan men de gevoeligheid voor insuline namelijk verminderen waardoor de bloedglucosegehaltes positief beïnvloedt worden. Boekt men met een dieet niet voldoende resultaat dan worden er tabletten voorgeschreven. Indien de inname van een maximale dosering tabletten ook niet meer voldoende is, dan zal de reguliere geneeskunde alsnog met insuline gaan behandelen.
Cellulaire geneeskunde
De cellulaire geneeskunde schrijft de voornaamste oorzaak van diabetes mellitus toe aan een chronisch tekort aan noodzakelijke voedingsstoffen in de cellen van de alvleesklier. Door een gebrek aan vitale stoffen kunnen deze cellen niet goed meer functioneren en kan er een diabetische stofwisseling ontstaan, die het begin vormt van type 2 diabetes mellitus.
Glucosemoleculen en vitamine C-moleculen lijken qua structuur verwarrend veel op elkaar. Bij diabetici leidt dit ook tot verwarring en verwisseling in de stofwisseling. De verwisseling van glucose- en vitamine C moleculen is de oorzaak van diabetische cardiovasculaire aandoeningen. Door vernauwing of verstopping van de bloedvaten kunnen bij diabetici in het gehele vatenstelsel ernstige cardiovasculaire complicaties optreden. Hart- en vaataandoeningen en andere complicaties van diabetes mellitus komen zelfs voor bij diabeten die de bloedglucosespiegel onder controle hebben. Het verlagen van de bloedglucosewaarden is beslist noodzakelijk voor het behandelen van dit ziektebeeld, maar het is duidelijk niet genoeg om alle complicaties uit te kunnen sluiten.
De cellulaire geneeskunde richt zich dan ook niet alleen op een verbetering en normalisering van de bloedglucosespiegel, maar juist vooral op:
- het verbeteren van de gehele diabetische stofwisseling, - de bescherming, en zonodig reparatie, van de bloedvatwanden en zenuwbanen om ernstige hart- en vaataandoeningen te voorkomen en daarmee ook andere veelvoorkomende complicaties bij diabetes mellitus.
Welke bio-energiestoffen zijn belangrijk?
Vitamine C brengt een verhoogde bloedglucosespiegel weer in balans. Het helpt bij de verlaging van de insulinebehoefte, het vermindert de uitscheiding van glucose via de urine en beschermt bovendien de aderwanden.
Vitamine E beschermt als antioxidant de celmembranen tegen oxidatie.
B-vitaminen (B1,B2,B3,B5,B6,B12, biotine en foliumzuur) zijn de bio-energiedragers van de celstofwisseling. Zij verbeteren de stofwisseling met name in de lever, die voor de glucose- en insulinestofwisseling onmisbaar is.
Magnesium beïnvloedt de produktie en werking van insuline. Het kan insulinerestistentie reduceren.
Chroom is een spoorelement dat als katalysator voor een optimale stofwisseling van glucose en insuline zorgt.
Inositol en choline zijn een bestanddeel van lecithine, een belangrijke bouwstof voor de celmembranen, dat van zeer groot belang is voor het transport van voedingsstoffen en de levering ervan aan de cellen.
************************************************************************************